Skip to content
1751

De gedichten. Deel 3

Pieter Langendijk

Zevende boek.

Op Adams bede word door Rafaël gemeld, Hoe, en waarom dit rond der waereld was geschapen: Dat Godt, naa Satan met zyn Eng'len was geveld, Ten Hemel uitgebonsd door Vorst Messias wapen, Verklaarde: dat hy nu een' waereld scheppen zou, En schepsels, die daar in op 't heerlykst zouden woonen. Hy zend Messias zelf tot deezen waereldbouw, Om in zes dagen tyds dat wonderwerk te toonen: Dees voert het heerlyk uit, en reist weêr hemelwaard, Bestuuwd van de Eng'len, die zyn' glorie eeuwig zingen. Doch Adam, vraagende noch verder naa den aa rt Der Hemelschikking, word vermaand, niet in te dringen In 't diep van dat geheim, voor 's menschen brein te hoog, Maar kloek te letten op het geen hem nut kan weezen; Dat Adam toestemt, die den Engel een vertoog Van zynen toestand doet: hoe hy in d' uitgeleezen Van Godt gebouwden hof in 't eerst verwonderd stond; Met zynen Schepper sprak van de eenzaamheid zyns levens; Hoe, naa een diepen slaap, hy zich geliefkoosd vond Van Eva, en genoot toen alle bly dschap tevens.

Godts Engel toont nog eens aan Adam zynen plicht, Neemt afscheid van het paar, en zweeft uit hun gezicht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De gedichten. Deel 3 · Pieter Langendijk · Poetry Cove