Neegende boek.
De wacht der Eng'len vliegt ten hemel op, uit Eden, Daar hunne waakzaamheid door God word goedgekeurd. De Zoon bestraft het paar, en dekt de naakte leeden, Door zyn barmhartigheid, die Adams val betreurt. De Zonde en Dood, die voort des menschen rampspoed weeten, Verlaaten nu de Hel, en willen waereldwaard: Zy, hebbende eenen weg op Chaos rug gesmeeten, Ontmoeten hunnen Vorst, die wederkeert van de Aard. Hy met geschuiffel van het Helsche volk ontfangen, Verandert in een Slang, en roemt zyn snoode daad. De Boom der Kennis schynt vol schoone vrucht te hangen, Daar elk naa waatertant: een ooft, dat niet verzaad; Zy kaauwen 't: maar men vind slechs stof en asch van binnen: Een droevig zinnebeeld van 's menschen zonde en dood, Die Vorst Messias door zyn kracht zal overwinnen,
Als alles werd vernieuwd, gelyk het Godt besloot. De angstvallige Adam word in 't harte fel bestreden Met doodschrik, wanhoop, en een bitter naaberouw; Hy kent zyn zonden nu; en luistert naa gebeden Noch droeve klachten van zyn lichtverleide vrouw: Doch eindlyk wat bedaard, zoekt zy hem aan te dringen Tot midd'len van geweld; opdat hy 's Hemels vloek, Die naamaals vallen kon op zyn naakoomelingen, Mocht wenden van den hals. Hy wyst dat snood verzoek Der vrouwe van de hand, en brengt haar in gedachten, Hoe dat haar Zaad den kop der Slang verbryz'len zal, Als Godt belooft heeft, en vermaant haar, om te trachten, Met need'rige ootmoed, en bekeering, naa deez' val, Te vallen op de knien, in zilte traane beeken, Om Godt, hunn' grammen Godt, vergeeving af te smeeken.
Cookies on Poetry Cove