Skip to content
1751

De gedichten. Deel 3

Pieter Langendijk

Derde boek.

De Hoogste Majesteit, met zyn geliefden Zoon Aan zyne rechterhand, gezeten op den troon, Ziet Satan, bezig om 't geschapen werk te ontdekken, En zegt, wat rampen die Aartsvyand zal verwekken, Wanneer hy 't eerste paar in Eden heeft verleid; En hoe 't niet strydig is met zyn' rechtvaerdigheid, En wysheid, dat Hy zulk een toeleg wil gedoogen; Wyl Hy den mensche schiep, zoo vry, zoo vol vermogen, Dat Hy 's Verzoekers list zou kunnen tegenstaan. Hier op ontdekt Hy, dat de mensch niet heeft misdaan Door eyge boosheid, en genade kan verwerven, Indien een Midd'laar word gevonden, om te sterven, Ten zoen der misdaad, als een zuiver offerlam. Godts Zoon ontfermt zich door een' hemelliefdevlam, En biedt zich tot rantsoen, naar 't Godlyk welbehaagen, Om, zonder schuld, de straf der zwaarste schuld te draagen; Dies wierd zyn naam verhoogd in Hemel en op Aard, Van de Engelen geloofd, die, in een Choor geschaard, Op hunne harpen, Godt, d' alwyzen Vader pryzen, En Hem in zynen Zoon oneindige eer bewyzen. De Satan middlerwyl, tot alle quaad bereid, Bereikt een' plaats, genaamd de Burg der Ydelheid. Hy ziet des Hemels poort, die word vol geest beschreven, Omringd van wat'ren, die rondom 't uitspansel zweeven: Hy vliegt in Eng'len schyn, tot aan den Zonnekring, Daar hy Uriël vindt, den grooten Hemelling,

Die, door zyn list misleid, hem wyst, waar 's menschen woning, De lusthof Eden legt, gebouwd van 's Hemels koning.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
De gedichten. Deel 3 · Pieter Langendijk · Poetry Cove