De genoligden tot het Avondmaal weigeren te komen.
Een Heer des huisgezins noodt zyn bekende vrinden
Ten Avondmaal; waar van niet éénen zich laat vinden;
Dees heeft een Akker, die een Wyf, de derde Vee,
Waar mee hy zich vermaakt, en weigert 's Heeren beê.
Dus zoekt de mensch een glimp, en ongegronde reden,
Om niet na 's Hemels disch, dan als 't hem lust, te treeden.