Achtste boek.
De Satan, hebbende al het aardryk omgereden, Vliegt, als een dunne damp, by nacht, in 't vruchtbaar Eden, En vaart, vol loosheids, in de Slang, terwyl zy rust. Als Eva 's morgens vroeg haar Ega wekt en kust, En voorslaat, om hun werk in twee gelyke deelen, Als taakwerk, af te doen, omtrent hunn' lustpriëelen, Staat Adam zulks niet toe; erinnert haar 't gevaar, Dat hen te wachten stond, indien ze alleenig waar', En 's vyands list haar kon in zyne laagen leiden: Maar Eva, niet vernoegd, dringt sterker aan tot scheiden, Nu haare omzichtigheid by Adam schynt verdacht; Waaromze een' proef wil doen van haare trouw en macht. Hy staat het eindlyk toe, en zy alleen gebleven, Werd van de Slang gezien; deez' schynt uyt schroom te beven; Doch naadert haar, en roemt, met zoete vleijery, Dat haar volmaaktheid al Godts schepsels streeft voorby. Zy vraagt, verwonderd, aan de Slang: "door welke wegen ‘Hebt gy dat groot verstand, en 's menschen spraak verkregen? Naa dat ik heb geproeft, zegt Satan, van dien boom, Is myn bedwelmd verstand ontwaakt, als uit een droom’.
Hy krult zich om een tak van d' eedlen Boom der Kennis, En lokt haar met de vrucht; zy proeft, en heeft (ô schennis Voor 't menschelyk geslacht!) haar Adam ook verleid, Tot quetfing van de wet der Hemel-majesteit! Nu zweeft Godts gramschap en de doodschuld hen voor de oogen! Zy zien hunn' naaktheid, en, door schaamte in 't hart bewoogen, Bedekken 't lichaam voort. Met eene ziel vol rouw, Beschuldigt zy de Slang, en hy de droeve vrouw.
Cookies on Poetry Cove