De Pharizeeuw en de Tollenaar.
Wat pryst de Farizeeuw zich zelf uit eigen liefde!
Al zyne schyndeugd is een gruuwel voor Godts oog:
Boetvaerdigheid, die 't hart des Tollenaars doorgriefde.
En om genade smeekt, behaagt hem, die omhoog
Elks hart en nieren kent, die hy beroert inwendig.
Onze eigenliefde is rook: Godts liefde blyft bestendig.