Vierde boek.
De wanhoop, vrees en nyd bespringen Satans hart,
Wanneer hy Eden ziet, en, door den schrik benard,
Aan 't twyf'len raakt, of hy den aanflag zal volvoeren:
Maar hy verhardt zich, om het Paradys te ontroeren,
Wiens welgeleegen Stand des Dichters geest beschryft.
De Satan, vliegende op den Boom des Leevens, blyft,
In schyn eens waaterraafs, ontroerd en opgetoogen,
Wanneer hy 't eerste paar beschouwt met nydige oogen.
Uit Evaas saamenspraak met haaren echtgenoot,
Verneemt hy, hoe dat zy, op straffe van den dood,
Niet mochten eeten van den vruchtb'ren Boom der Kennis;
Dit geeft hem stoffe tot volvoering zyner schennis.
Uriël midd'lerwyl, op eene zonnestraal
Gedaald naa Edens hof doet Gabriël verhaal,
Hoe dat een booze Geest, den afgronds kolk ontvlogen,
Omtrent den middag was door zynen kring getogen,
In eenen Eng len schyn: waar op de hemelwacht
Naa Adams rustplaats trekt, in 't midden van den nacht;
Daar legt de booze geest aan Evaas oor te fluist'ren
Met droomen vol bedrogs, maar kan zich niet verduist'ren
Voor Gabriël, die hem, gevangen, ondervraagt.
Hy spot, bied tegenstand, doch eindelyk versaagd,
Als hy een teeken uit den Hemel ziet verschynen,
Moet hy, al morrende, uit het Paradys verdwynen.