Op de Tegenzyde
De Zon die zich van 't heir des Hemels ziet omringen,
Die, draaijende op haar as, Planeeten in haar' kringen
En vasten loop bepaalt, naar de evenredigheid
Hen ingeschapen, door de Hoogste Majesteit,
Doet alle nevels uit den kring des damps verdwynen,
Om 't Aardryk met meer glans te koest'ren en beschynen;
Terwyl zy d' invloed der Planeeten na zich trekt,
Met haare straalen voedt, en voor de koude dekt:
Dit onderling verband geeft klaar den mensch te leezen,
't Almachtig wys bestier van 't eeuwig Opperweezen.
Dit geeft de Stempelkunst ons tot een Zinnebeeld,
Waar in Prins Willems deugd, en die der Staaten, speelt,
Op d' eedlen Penning, die den Held verbeeldt naar't leeven
Tot Erfstadhouder in het Vaderland verheven:
Hy is de Oranje Zon, die door den dampkring breekt,
De harten tot zich trekt, de wederliefde queekt,
En haare straalen schiet op Zeven Staatsplaneeten.
De Godtheid, in den kring der Eeuwigheid gezeten,
Gun Neêrlands Vryë Maagd de zegenryke vreugd,
Zich lang te koestren in de Zon van Frizoos deugd.
MDCCXXXXVIII.