Slotzang.
Stemme: Tranquille Coeur.
Men zing eendrachtig van gemoed,
Ten lof der ongeveinsde minne,
Wiens ambrozyn de harten voedt,
Van Heems en zyne Zielsvriendinne,
Die de onverbreekb're min van twee herschept in één,
Terwyl ze op roozen treên.
Nu zal zyn lieflyk maatgeluid
Het minnezalig uurtje pryzen,
Waar in zyn Helft, zyn waarde Bruid,
Hem zuiv're weermin zal bewyzen.
Hunn' kusjes vliegen bly, op vleug'len van de min,
Ten hoogen Hemel in.
Men vul het helder kristallyn
Met aangenaame nektarteugen,
Nog zal hunn' liefde zoeter zyn,
En 't maagschap door haar kracht verheugen.
Geluk vol Hemelsheil bestraalt de schoone Bruid,
Door tyd noch nyd gestuit.
De Dichtkunst legt haar vlugge veêr,
En keur van uitgeleezen' boeken
Nu voor Johannaas schoonheid neer;
Zo kan de min Minerf verkloeken,
Daar wysheid paart met liefde, is 't heilig Echtverbond
Op 's Hemels gunst gegrond.
Nu komt de Huwelyks Fabryk
Den Bruidegom het best te vooren,
Nu reedt hy Stoffen schoon en ryk;
De Keten wordt alreets geschooren,
En d' Inslag is gereed, 't Patroon zeer fraaij van geest,
En waard dat hy het Leest.
Gaa Bruigom toon uw Meesterstuk,
En Fabriceer in 't kort Figuuren,
Die Triumfant in hun geluk,
Uw stam en naam doen eeuwig duuren;
Weef dus de web der liefde, en pronk lang evenschoon
Met Pallas eedle kroon.
Vereenigd in Haerlem, den 25 April, 1723.