Zesde boek.
Godts afgezant verhaalt, hoe Michaël, de Held
Des Allerhoogsten, wierd van Gabriël verzeld,
Om 't heir des Satans, dat de Godtheid durft braveeren,
Door eenen dappren slag heldhaftig af te keeren.
De vyand deinst te rug, des nachts naa d' eersten slag:
Maar dondert vreeslyk op, om op den tweeden dag,
Met duivels werktuig, en verwoede macht te stryden,
Waar door Godts Helden iets in d' eersten aanval lyden;
Maar neemende eindelyk de bergen op met kracht,
Bestelpen zy het tuig des Satans en zyn macht;
Doch deeze heldendaad doet d' oproer niet verdwynen.
God zend den derden dag Meffias by de zynen,
Voor wien hy de eere der verwinning had bewaard;
Hy, in zyns Vaders kracht, houdt al het heir geschaard,
Gebiedt het stil te staan, en dryft met zynen wagen
Alleen door 's Vyands heir, dat door zyn donderslagen
En felle blixems scheurt, en vlucht, vervolgd, vooruit,
Tot aan des Hemels grens, die zich terstond ontsluit,
Daar stort het heilloos heir ten diepsten afgrond neder.
Godts Zoon keert in triumf by zynen Vader weder.