Toezang.
Leef gezegend, Welgepaarden,
Die in 's Hemels naam vergaarden!
Leef in onverwelkb're deugd,
En verblyd het hart der Vad'ren,
Die u met hunn' zegen nad'ren,
Tot een steunsel uwer jeugd.
't Minnevuur, in u ontsteeken,
Moet haast nieuwe vlammen queeken.
Bruiloft brengt ligt bruiloft voort.
Zoete Juffers, wilt niet bloozen,
Noch verbergt in schaamteroozen
't Zalig Bruigommaakend woord.
Speelnoots, wilt de Bruid geleiden
Daar de min het bed zal spreiden;
Wyl de Broed' ren eensgezind
Deezen trouwdag zullen eeren,
En het deugdryk Paar waardeeren,
Dat de Hemel zelf bemint.
Abraham genaak uw Schoone,
Daar zy u vol vreugd bekroone,
Met het kuische Huuwlyks zoet;
Pluk de Lelie in de Dalen,
Opgequeekt met Hemelstraalen,
Die uw min met weêrmin voedt.
Bloeij in aangenaame looten,
Die uw zegening vergrooten,
Bloeij door Pallas eedle kunst,
Met de wederzydsche Maagen,
Daar de stadt mag roem op draagen
Leef en bloeij in 's Hemels gunst.
Gaa ten rei om Godt te danken,
Op de zegenryke klanken
Van uw deftig Jaargedicht;
Namaals moet ge uw zanggeest meng'len
Met het Choor der heilige Eng'len,
Voor Gods blinkend aangezicht.