Een arme Weduwe werpt twce penninkjes in den schatkist.
Een arme Weduw werpt in de offerkift een schat:
Twee penningkjes, ligt al den rykdom dien zy hadt,
Waarom haar Christus roemt ver boven ryke dwaazen,
Die op een grooter gift veeltyds trompetten blaazen.
De Heer, die alles heeft, ziet op de gaaven niet;
Maar of onze offerhand door 't reine hart geschied.