Vertooningen in J.v: Vondelens Palamedes. De eerste vertooning Verbeeldde een Vertrek, in de Legertent van den opperveldheer der Grieken, voor Troje. In het midden stont een koninklyke armstoel, waar uit de Gerechtigheid, verbeeld als een vrouw in 't wit gekleed met een zwaerd in de eene, en een schaal in de andere hand, gevlucht was, schrikkende voor de roede der Dwingelandy, die de wetten en voorrechten met voeten tradt om de Staatzucht ten troon te doen klimmen; waar door de Vryheid verbeeld door een schoone vrouw, dragende een lans met den hoed daarop, bezweek, en 't Gemeenebest, een man draagende den bondel pylen, voor zyn ondergang deed duchten, gelyk ook de Eendracht, een schoone maagd met zeven pylen in de hand, hem hielp treuren, benevens de Wysheid, Wakkerheid, en Waarheid, haare gezellinnen; alle kennelyk door hunne merktékenen. In 't midden van het tooneel vertoonde zich de achtbaare Palamedes, koning der Eubeërs, verbeeldende de Onschuld. De ondeugden grepen hem van alle kanten aan, verscheurden zyn kleed, en rukten hem naar de gevangkenis; terwyl de Nyd, Laster en List, benevens de aartswichelaars Kalchas, en Euripiles, twee schynheiligen, het Grieksche Heir, staande aan wederzyde van 't tooneel geschaard, tegen hem ophitsten. De Vertooning dus gesteld zynde wierd het volgende vaers uitgesproken:
De Staatzucht, vlammende naar 't opperste gebied, Belaagt het heilig Recht, dat uit de vierschaar vliedt: Dewyl de Dwinglandy de wetten van de steden En Privilegien met voeten durft vertreden, Waardoor de Vryheid quynt, 's lands Eendracht deerlyk zucht, En 't Grieksch Gemeenebest voor duizend rampen ducht. De Wysheid, Wakkerheid, en zuiv're Waarheid treuren Om de Onschuld, die men ziet het kleed van 't lichaam scheuren, Terwyl 't Argiviesch heir door Laster, Nyd, en List, Met hulp der Wichlaars, wierd tot wreedheid opgehitst. Schoon de onschuld word verdrukt, de tyd schenkt haar laurieren, Hoe sel zy word begrimd van duizend wreede dieren.
De tweede vertooning, Verbeeldde een' steenachtigen heuvel, waar op de onschuldige Palamedes van Ulisses, Diomeed, en de Razernyen, als wreede beulen gesteenigd wierd, voor de oogen der wichelaars, het krygsvolk, de treurende benden van den rampzaligen koning, en de aanschouwers, die by menigte in 't geboomte geklommen, zyn' vermaarden val beschouwden. Waar op de volgende régelen gesproken wierden:
Beschouw vorst Palameed, 's Lands steun en trouwsten vader, Door Agamemnons zucht tot de opperheerschappy, En Kalchas schyndeugd, met Ulisses veinzery, Van de omgekochten Raad gevonnisd als verraader. Hy wordt ten moordtooneel' gerukt op 't onvoorzienst, En dood gesteenigd door de felle Raazernyen. 't Beotiesch Krygsvolk zucht vergeefs uit medelyën; Hem helpt noch 't gryze hair noch veertig jaaren dienst. Hierop verdweenen de Raazernyen naar den afgrond; de Tyd en Waarheid daalden uit de wolken, en men sprak het volgende vaers.
De Tyd en Waarheid, die men ziet op de aarde daalen, Doen 't rot der raazerny gezwind naar d'afgrond gaan. Vorst Palamedes roem zal aan den Melkweg staan, En als een ster van staat op Griekens vryheid straalen.
De derde vertooning, Verbeeldde een' aangenaamen beemd, omringd met lommerig geboomte, waar in de tempel der Vryheid stond, gebouwd van marmersteen. In het midden zag men het beeld van Palamedes, op een verheven Pedestal, omhelsd van 's Lands Palladium, de dier gekochte Vryheid; en omringd van de deugden die zyn doorluchte ziel heeft bezeten, naamenlyk: de liefde voor 't Vaderland, de Wakkerheid te veld, de Wysheid in den raad, en de Getrouwigheid in 't bestier der zaaken. Zyne vyanden, als Kalchas, Euripiles en anderen, die in 't volgende gedicht gemeld worden, lagen halvemaanswyze voor zyne voeten geboeijd aan eenen yzeren keten.
Den zoon van Nauplius wordt in zyn vaderland Een Pronkbeeld opgerecht, voor zyn doorluchte daaden; Het beeld der Vryheid staat aan zyne rechterhand, En eert hem als het hoofd van alle Grieksche raaden; Dewyl hy voor haar stierf als martelaar van staat. Zyn Liefde menigmaal voor 't vaderland gebleken, Zyn Dapperheid te veld, zyn Wysheid in den raad, Of voor een konings troon als afgezant te spreeken, En de ongekreukte trouw, omringen 't achtbaar beeld. De Laster, Nyd, Bedrog, Schynheiligheid en Logen, De Dwinglandy, 't Verraad, dat duizend gruuwlen teelt, En and're monsters zyn geketend voor zyn oogen.
‘De Faam vliegt naar boven.
De Faam trompet zyn lof, nu door de onsterflykheid Zyn naam vereeuwigd wordt. De Tyd verzeld van de uuren Ontdekt zyn onschuld, en doet zien dat 's helds beleid De vryheid heeft gevest op diamante muuren.
Cookies on Poetry Cove