Op een raare Papegaaij.
Een juffer, overal door achterklap gehaat,
Reedt in een koets, die fraaij verguld was, op de straat;
Zy pronkte in 't groen satyn, en vroeg een van haar' maagen,
Die haar ontmoette: neef, schept ge in deez' koets behaagen?
Voorzeker, sprak de heer, gy bralt en klapt heel mooij,
Groen papegaaijtjenicht, in uw vergulde kooij.