Aan Felix.
Gy roemt, ô Felix, op uw' schatten en juweelen,
Uw pracht, uw titels, stoet, met wapens en kasteelen;
Gy vraagt ons: heb ik niet een hemel hier op aard?
Zeg of my iets ontbreekt? zeg of ik iets moet derven?
Ja Felix, nog één ding, meer dan uw schatten waard:
Een, die wanneer gy sterft, voor u zal willen sterven.