Op de zesde Prent.
Als vryë volkeren van hooge en laage staaten
Een algemeenebest oprechten met malkaâr,
En dan den machtigsten 't gezag in handen laaten,
Zien zy hunn' vryheid haast in 't uitterste gevaar;
Schoon hy een dienaar is, en 's lands gestaafde wetten
Handhaaven, en 't gebod der raaden volgen moet,
Hy vindt haast hulpers om zich op den troon te zetten,
Hy schopt zyn meesters en de wetten met den voet.
Wie 's lands gemeenebest in welvaard wil zien bloeijen,
Laat' geen bizonder heer de wet te boven groeijen.