Op de zevende Tekening.
De zoele westewind neemt Psiche op zyne wieken,
En brengt haar van 't gebergte, in een vermaaklyk dal,
Daar roos en anjelier, viool en lely rieken,
Alwaarze tot haar rust een bloembed spreijen zal.
Rust daar, ô schoone bruid, luik daar uw' lieflyke oogen;
Haar straalen bragten zelf de min in uw vermogen.