Op de tweede Tekening.
ô Smaad, roept Citheré, zou ik myn reukwerk deelen?
Myne offers, met een maagd, een sterffelyke vrouw?
Neen, neen, Kupido, gaa uw minnetreeken speelen,
Neem pyl en boog, schiet toe, en breng haar hart in rouw,
Doet haar verlieven op d'elendigsten der menschen.
Wie de eer der Goden rooft hoeft geen genâ te wenschen.