Op de twintigste Tekening.
De zuster, uit haar huis in stilligheid geweken,
Riep op het hoog gebergt den snellen westenwind,
Om haar gewaande lief, den minnegod, te spreeken,
Waar door zy in het end zich zelf bedrogen vindt.
De winden rukken haar ten rots af, als verbolgen.
Zo vindt hy ligt den dood, die and'ren wil vervolgen.