Op iemand die een schoon huis gebouwd heeft.
Bewoonde een heer dit huis, die matig waar' van leeven,
Het wierd met recht den naam van schoon palels gegeeven.
Gy vreet, gy zuipt 'er in, uw buik is u een God,
'k Noem 't dan, wyl gy 't bewoont, een heer'lyk varkenskot.