Op de twee-enveertigste Tekening.
Proserpina ontfangt met veel eerbiedigheden,
Naâ uiterlyken schyn, de schoone in Plutoos ryk.
Zy nadert de Godin, maar met beschroomde schreden,
En zegt waarom zy quam in deeze naare wyk.
Proserpina zoekt haar door vriendschap te verleiên:
Maar 't hemelsche gemoed walgt van het helsche vleijen.