Tweede zang.
Dat wist heer Ryk, die hart en zinnen
Met zyn Sophia smelt in één;
Sophia waardig om te minnen,
Door deugd en zoete aantreklykheên;
Zy lonkt hem aan met vriend'lyke oogen,
Als hy haar in zyn armen drukt,
En, door de kracht der min bewogen,
De roosjes van haar kaaken plukt.
Wierdt Venus eertyds aangebeden,
Gelyk een hemelsche Godin,
Door al de Frygiaansche steden,
Wat wonder was 't? de kragt der min
Kon 't hart des sterksten helds ontvonken,
Door Deianieres minnelonken.