Op de vyf-entwintigste Tekening.
't Rampzalig koningskind wordt weer voor 't hoofd gestoten,
Zy vindt geen schuilplaats meer, nu Juno haar ontzeid.
Ach! klaagtze, had ik nooit Kupidoos min genoten,
'k Had Venus ligt gepaaijd, en nooit myn lot beschreijd.
Wat draal ik? 'k zal terstont myn vyandinne smeeken.
Zo ligt vleijt wanhoop ons, als vrienden ons ontbreeken.