Aan Braband.
Wat roemt gy op de pracht van kloosteren en kerken,
En smaalt, omdatze niet zo schoon in Holland zyn?
Eischt God die yd'le praal, of eischt hy nutte werken?
Is hy met stof gediend? neen; hy vervloekt den schyn.
Gy Braband, kleed maar steen, en beelden, zonder reden;
Ons Holland kleed geen kerk, maar in de kerk Godts leden.