Op een' raaren Snoeshaan.
Zo ik een kabinet vol vreemde insekten had,
'k Zou Su inaamsche Jan, u, en uw' twee lakkeijen,
Uw zwarten, daar gy mê loopt zwieren door de stadt,
Heel raar en bont gestreept met vreemde levereijen;
Verzoeken om een dag vyf zes
Te zitten in een groote vles,
Al die u dan bekeek zou anders niet begrypen,
Of zag een gouwe tor, met twee zeer vreemde rypen.