Op de achtste Tekening.
De schoone Psiche ontwaakt, zy schynt niet meer te vreezen.
Daar treedtze als een godin: maar aarzelt reis op reis.
Treê voort, uw bruidegom moet een der Goden weezen,
Ik zie 't, aan dit gebouw, dit koninglyke paleis,
't Is elpenbeen en goud, van boven tot beneden,
Van eenen God gestigt, volmaakt in alle leden.