Tegenzang.
Door zulk een' Liefdeband wordt nu van Dam gebonden,
Die in Magtilda heeft een wedergâ gevonden,
Die door den vreede in 't rein gemoed,
Hem 't allerlieflykst huuwlykszoet,
Dat uit Godts heilbron vloeijt, zal door de deugd doen smaaken,
Als zy standvastig in de waare liefde blaaken;
Zo vindt de bruid in hem een vriend,
Die haar bemint, den hemel dient,
En leeft ten steun zyns huis door aangenaame zeden,
Ten nutte van de kerk, en troost der arme leden,
Behaaglyk voor Godts Majesteit,
De zonne der gerechtigheid,
Die al wat leeft bestraalt met held're hemellonken,
Die Bruid en Bruidegom in weêrmin wil ontvonken,
En met een lieffelyke taal
Hen nodigt naar de bruiloftszaal;
Opdat z' aan 't aardsche draf zich zelve niet vergeeten:
Maar 't eeuwig manna der genade en goedheid eeten,
Waar van Godt hier een voorsmaak geeft
Aan 't hart dat in zyn' liefde leeft.