Op de drie-enveertigste Tekening.
Proserpina zit op haar rykstroon, die doorvlochten
Van monsters, schrikkelyk voor haar te aanschouwen is;
Om deezen troon krioelt een tal van wangedrochten,
Die spyze opdrieschen aan den helschen toverdisch.
Maar Psiche zit om laag, en is met brood te vreeden,
De deugd moet met het quaad nooit in gemeenschap treeden.