Na de wijse: Bruynsmadelijn bruynsmadelijn, &c. VReughde doe my nu singhen, Waerom magh het doch zijn? Wy waren cortelinghen In swaer verdriet en pijn: Want de doodt was ons soo nader, Wy zijn't ontcomen te gader Deur Godts ghenade fijn. O doodt hoe bitterlijcken Is u ghedachtenis, Men soud u wel ontwijcken, Soo't nu ghebleecken is, Al cond'men gants niet behoeden Van gelt, ladingh ofte goeden, Men achtet soo ick gis,
Gantschelijck niet te wesen, Alsmen't leven behoudt, O lieve mensch ghepresen, Siet dat ghy wel aenschout: Wilt ghy so noo d'eerste smaken, Veel inde tweede gheraken, Alsoo de Schriftuer cout. De tweede doot wy lesen, Comt noch veel harder aen: De eerste moet doch wesen, D'ander maghmen ontgaen Al deur Godts ghenaderijcke, Hoe comt dat wy alghelijcke, Het soo weynigh acht slaen? Dat een mensch ons dit male Verlost had vande doot, Wy mochten't niet betalen, Soudmen wel segghen bloot: Maer Godt heeft ons van't eeuwigh sterven Verlost, nu wilmen selfs bederven. Is het niet al te snoot? Om't uyterlijcke leven Laetmen wel altemeel, Hier nae te zijn verheven Is noch al beter deel
Dat wy dit eens wel bedochten, De tijdt wat beter overbrochten Het is hier doch niet veel. Alle ghediert gaet wicken Van de doodt met grooter vlijt. Wie soude niet verschricken Van het eeuwigh ghecrijt? Wel op wilt hier readt versoecken Al in Schriftuerlijcke boecken Haest'lijck sonder respijt. Eeuwigh lof u gheschieden, O Heer der Heeren groot, Om dat oprechte lieden Leven al zijn sy doot: 'Twelck mijn hert gheeft groot gheneughde, Dat ick most singhen van vreughde, Behoet my inder noot. Na beter.
Cookies on Poetry Cove