Na de wijse: 'T en is niet langh gheleden, Dat ick gingh by nachte. QValijck can ick, O Heere, Mijn vleys ghenoegh verneeren, Deur sijn quade begeeren, En Duyvels loose vonden. Och waer ick wend of keere, De Satan my temtere, En 't vleys dat is soo seere Gheneghen tot de sonden. O Heer, na u goetheydt, Helpt my, niet langh en beyt, My op u weghen leyt Tot mijner saligheydt, En wilt my niet castijden Na mijn sond t'ghenen tijden Maer helpt dat ick mijde De sond, O Heer alsoo ghy hebt gheseyt. Ick can op dese stonde Niet wel met mijnen monde Wt spreken al mijn sonden.
Wie weet, Heer al sijn sneven? Deur Satans loose gronden, In veel fouten bevonden, Seer stinckend' zijn mijn wonden, Geneestse, Heer, verheven. O Heer, ick claghet dy, Daer's niet volmaeckts aen my: Noch hooft, noch voeten vry, Rontom aen alle zy Met fouten en ghebreken, Och, hou soud ick uytspreken, Boven mijn hooft ghestreken Sijn mijn schulden, Heer, sy vallen my so sweer, O Heer, wilt my ontladen, En wilt my niet versmaden Om mijn sond en misdaden. Maer, Heer, na u goetheden, Soo wilt my vroegh en spaden Met uwen gheest versaden, Op dat ick wijs van raden, Voort in gherechtigheden Doen nae de wille dijn, En altijdt wachten mijn Van sonden als fenijn, En een slanghen aenschijn,
Soo vlieden ende mijden De sond tot allen tijden, Op dat ick nae verblijden In u rijck, Heer, mijn ziel verlanght soo seer. Och hoe coom ick daer binnen, Het vleys dat gaet beminnen Den doodt, wilt dit versinnen, Veel meerder dan het leven, Geest'lijck moetmen 't beginnen, En 's vleys lusten verwinnen Met al sijn quade sinnen, Hier toe wilt, Heer, Kracht gheven, Al heb ick t'gheender stondt Nae des werelts verbondt Ghelevet in de sondt, Nochtans segh ick goet rondt, Waert ghy niet goedigh heere, Soo waer mijn schult veel meere, Dan datse my voorweere Vergeven mocht zijn, o Heere, ghedenckt mijn. Na beter.
Cookies on Poetry Cove