Skip to content
1633

Kleyn liedtboecxken

Pieter Jansz. Twisck

Na de wijse: Van den 6. Psalm. Den tweeden Boet-Psalm. VVEl dien die zijn overtreden Vergeven zijn in vrede, Dien de sond is bedeckt. Wel den mensch die den Heere De misdaed niet telt meere, Wiens gheest gheen valscheydt steckt: Want doen ick woud met krachten Verswijghen, soo versmachten Mijn ghebeent, door't ghekry Van mijn daghelijcx weenen: Want u hand was met eenen Dagh en nacht swaer op my. Dat mijn sap gaet verdrooghen, Als inden somer vrooghe, Des beken ick mijn sondt, 'K verheel niet mijn misdaden, Ick sprack ick wil beladen Mijn misdaden goet ront Bekennen en belijden,

Doen vergaeft ghy seer blijde Mijner sonden misdaet, Daerom sullen nu allen Heylighe bidden, kallen Ter rechter tijdt met raet. Wanneer dan groote vloeden Van waters comen woeden, Soo sullen sy niet aen Den selleven gheraken, Ghy sult mijn schult quijt maken Dat'k magh in anghst bestaen. Op dat ick verlost heele Vroom'lijck roemen can vele: Ick wil u leeren nu En den wegh informeren, Die ghy wandelt met eeren, Met mijn oogh wil ick u Leyden, zijt niet als peerden, En muylen, die onweerde Niet verstandigh en zijn, Die men toom, bit onsoete Inden mondt legghen moeten, Die niet willen tot dijn. De Godloos heeft veel plaghen, Maer wie op Godt hoopt graghe,

Die sal goetheydt omvaen. Verheught 'sHeeren weerdighe, Sijt vrolijck rechtveerdighe. Roemt ghy vrome voortaen. Na beter.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Kleyn liedtboecxken · Pieter Jansz. Twisck · Poetry Cove