Skip to content
1719

Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers

Pieter Cauwe

Stemme: Trompet Marin. (ofte) Troupe triumphant. (ofte) Wat voor groote blijdtschap. Sou wel den Osse wieghen De Kribb’ van mijnen Godt, Daer soo veel Enghels vlieghen Die doen naer sijn ghebodt? Die alle schatten gheeft, Is hier arem en naeckt, Die Fluweelen, En Kasteelen Heeft ghemaeckt.

2. Daelt vier, daelt van de wolcken, En verwarmt het Kindt; Den Schepper van de volcken Gheen vier voor hem en vindt: Herodes rijcken Prins, Haelt hem in u Palleys: Desen Koningh, Sonder wooningh, Gheeft ons peys. 3. Waer door nu de banieren Van d’Hemels zijn vol spel, De oude Vaders vieren In’t voorbought van de hel, Daer Adam, Eva singht, En Davids harpe gaet: Want den Hemel Sonder schemel Open staet. 4. Soo Ioseph onsen broeder Ontrent de Kribbe staeft, Siet hoe de lieve Moeder Den grooten Schepper laeft Aen haere Maeghde borst: Maria om dees faem, Wy begroeten, En ontmoeten Vwen Naem.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers · Pieter Cauwe · Poetry Cove