Skip to content
1719

Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers

Pieter Cauwe

Stemme: Gheeft my te drincken naer mijn, &c. Komt, Thomas, komt kleyn van geloof, Ia on-geloovigh eerst geheeten; Seght doch, man Godts segh waer-je doof?

Was Christus woort u gantsch vergeten? Steeckt dan in alle vier mijn wonden Van handt en voet, U ving’ren vry, Peylt met U rechter-handt terstonde,

De diepe quetsuer van mijn zy. 2. Mijn Heer, mijn Godt! och, och ay my! Geeft door de krachten van u wonden, Dat ick magh raken uyt dit ly,

Geeneest doch, Iesu, dees mijn sonde, ’k Sal niet meer on-geloovigh wesen; Ick loop te post met goede spoet Om’t groot Oost, Indien te genesen,

Door des geloofs, en s’liefdens gloet. 3. Thomas, ’t gaet wel, gaet soo vry voort, Siet gins, daer komen d’Indianen, En roepen niet als vangt, smijt, moort,

Maer, lieven laet daerom geen traenen, V naeckt de kroon der Martelaeren: Sta vast, tot ’t eynd’, op Godes woort, Wild’ Indiaen u geensins spaeren,

Den Lauwerier komt u aenboort. 4. Al benje door martyrie doodt, Daerom vergeet niet d’Indianen, Noch ons, die hier in groote noodt

De wegh vast naer den Hemel banen. Verbidt ons doch tot aller stonde, O Thoma! by den Opper-Heer, Het groot proffijt van sijn vijf wonden

Tot aller zondaers bly bekeer.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers · Pieter Cauwe · Poetry Cove