Skip to content
1719

Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers

Pieter Cauwe

Stemme: Het was een Herder vroegh op-ghestaen. (ofte) Lest-mael lagh ick in fantasy. (ofte) Ick voele dat mijn herte leeft. Waer is’er Kercke sonder sanck, Of Kermis sonder keel gheklanck? Waer is’er mensch die vreughdigh leeft,

En somtijdts niet een liet en heeft. 2. Wanneer de vreught den mensche dwinckt Men hoort strakcx dat de keele klinckt. Den sanck is teecken van de vreught,

En is oock Moeder van veel deught. 3. Singht nu dan eens een gheestigh liet, En sorght van daegh voor morghen niet: Die kleene sorghe maecken groot,

Die leven, maer ergher als doodt. 4. Een treurigh mensch is vol verdriet, Een treurigh mensch en deught dogh niet; Wat is het dat den treurder doet,

Als te verteeren vleesch en bloedt. 5. Looft Godt, en doet u werck verblijdt, En met een liedt ghebenedijdt Den Heer, die ’t al beschicken moet,

En al naer sijnen wille doet. 6. Wel menschen hebdy wel ghesien, Dat naer u schicken sal gheschien? Dus looft den Heer met sanck en spel,

Zyt vreughdigh, en doet altydt wel.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers · Pieter Cauwe · Poetry Cove