Skip to content
1719

Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers

Pieter Cauwe

Stemme: Trompet Marin. (ofte) Wat voor groote blijtschap Waer hoor ick de trompetten? Het is een Legher-schaer,

Herodes doet verpletten De kinders tot twee jaer; Om den Heer Iesus wil, Daer hy hem niet en vindt, Doet hy sterven, En door-kerven Menigh kindt. 2. Hoort nu de Moeders kermen Tot Bethlehem uyt noodt, Het kindt in ’s Moeders kermen Dat lijdt de bitter doodt: Van schrick en groote vrees, Blijft daer niet een kleyn dier, Want sy vluchten Van het suchten, En ghetier. 3. Of d’Enghels vraecke riepen, Waer onsen Heer ghestoort; Daer de Onnoosel sliepen, Ligghen sy nu vermoort; De Kinders fris en vet, Als puere Enghels soet, Sonder stremmen, Heden swemmen In haer Bloedt. 4. De kinderkens die lijden In haere teere jeught, Die sullen haer verblijden Met Godt in volle vreught; Sy zijn om Iesus wil.

De Martelaers ghelijck, Voor het sterven, Sullen erven Godes Rijck.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.