Skip to content
1719

Het gheestelyck opeeltjen van Hardoysche roose-bladers

Pieter Cauwe

Stemme: Die mint die lijdt veel pijn. O Ziel vereert met lof, De Roos van ’t Hemels hof, Groet de schoone Acoley, Eert s’hemels Lauwerier, Oock met den Eglentier, De seer blijde nacht schalmey: Den lieven Ceder-boom, En koelen Water-stroom, Maria Leli’-spruyt, Die voor ons al de vreught ontsluyt. 2. Maria s’Hemels dauw, Maria e’edel Ionck vrouw, Klaere Sonn’ in s’Hemels baen: O Maeght volmaeckte jeught, De oorsaeck van ons vreught, Zee sterr’ en de silver Maen, Maria die altijdt In s’Hemels licht verblijdt, Ick offer hert en sin Aen u, o edel Koningin. 3. Eert die met haere borst Hier laefde Iesus dorst, Looft die selve in persoon, Voor den mensch grati’ vraeght, Looft nu de edel Maeght,

Die daer woont op Iesus throon Met menigh dienaeres, Maeght en Martelaeres, Fonteyn voor ons bereydt, Nu eeuwigh leeft in Heyligheydt. 4. Vereert met sanck en spel De schoon Abigael, Esther die nu voor ons vraeght, Verheven Iacobs-leer, Ons hop’, ons vreught, ons eer, Iudith die het leven waeght: Dees eer wint Maria, Maria vol ghena, Dat u eer wordt bereydt Nu en oock inder eeuwigheyt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.