Stemme: Anacreon, Anacreon de Dichter, &c. 1. Hoe woeld den Mensch om goed by goed te schrapen? Wat vlijt, wat moeitt' en arbeid vangt hy aan? Hy geeft zich zelfs des nachts geen rust tot slapen, Nog 's daags tot rust, nooit heeft hy eens gedaan. Geen moei'lijkheid, hoe lastig en hoe smertt'lijk, Hoe vol gevaar
Ontziet hy, als hy maar Met al zijn ommeslag Een weinig winnen mag. 2. Wat is de winst van al zijn rust'loos pogen? Hy wint wat wind, dat Goed hiet by den mensch? Goed dat zijn hert zoo weinig als zijn oogen, Vervullen kan, vermits zijn grage wensch Altijd na meer en meer is happig ziende; Hoe meer hy heeft, Hoe min vernoegt hy leeft, Om dat hy zoekt dat meer Te meerd'ren meer en meer. 3. Dus doet dien Mensch niet als gedurig wroeten, En kruypt gelijk een blinde Mol in d'Aard; Hy poogd zijn Aardsche lust met 't Aardsch te boeten, En onderwijlen hy nooit Hemelwaard Zijn herte heft; de plaets der wisse Goed'ren. Zijn oogen staag Niet nergens als om laag: Dies kan zijn loon niet zijn, Dan smert en pijn. 4. Na lang verloop van 's Tijds gelegentheden, Door hem besteed in 't nutteloos Aardsch gewoel? Zoo leid de ziel daar vol behoeflijkheden Ontbloot van deugd, van kennis en gevoell' Van Gods genaad, en Geest, en van Geloov', en Van raad en daad, In die beroerde Staat: Ay denk eens wat 't Goed Dien mensch voor nutte doet. 5. 't Verlicht niet, maar 't veroordeeld zijn bezitter, Hy vind het heil daar in niet dat hy zocht; De zoete voorsmaak vald hem wrang en bitter, De winsten die hy deed hem schade wrogt. Hoe moet de ziel benouwd zijn en verslagen In 's doods gevaar?
Dan de goed'ren, daar Zijn hert stond opgezet, Verzwinden van zijn Bed. A.G:
Cookies on Poetry Cove