Aan de Heer AEgidius vanden Bogaart.
My dunkt ik sie de Geest, de mond, de tong herleven,
Van Bogaart die wel eer soo meenig herte stal,
Wiens Naam in menig hert soo diep nog staat geschreven;
Wiens Naam soo lang hier Kerk, soo lang ook leven sal;
Maar die is heen gegaan by Jesus, by zyn Borge,
Op dat hy daar ontfing die weggeleide Kroon;
Ey Utrechts Zion! zyt voortaan bevryd van sorgen,
Want siet des Vaders Geest rust weder op de Soon.