Tegenzang.
Maar ach! wy blyven hier bene'en,
De Sienderen en sien geen teken,
Zy schynen in de wind te spreken.
Geen been en naderd tot zijn been,
Ey! rold wat snelder trage tyden,
Daar van de Mannen Gods voorzeiden.
Och! Zions haart schynt uitgebrand,
De schaarsheid van oprechte lieden,
Dit moest ons ingewand doen zieden,
Ay! Gysbert Voet is meê van kant;
Als ons de dood die Luy komt vellen,
Dat kan ons niet veel goeds voorspellen.
O God ons Hert en Oog bezwykt,
En sal van tranen nimmer rusten,
Tot dat het u eens sal gelusten,
Dat soo bemoddert en beslykt
Gesicht van Zion af te wasschen
Haar geve den Cieraad voor assche.
De tyd tot haren Oogst bestemt,
Die tyd die schynt al reeds gebooren,
Ons dunkt al dat het rype Kooren
Om Maayers en om Binders hemt;
Staat meenig ledig staande makker,
In wil of weerwil op uw akker
Ach! dat het ons aan Schuuren feil',
En geef in plaats van Vloek weer Zegen,
Laat dalen vroeg en spade Regen:
Heer geef nu voorspoed, geef nu heyl,
O! zend u licht, en zend uw klaarheid,
En styft uw Woord in kracht van waarheid.