Stemme: De Mey die komt ons by &c. Jesus. 1. Met re'en begaafde Dier ,, Hoor hier Waar vlucht en ylt gy soo angstvallig heen? Wat is het dat u dwingt // En dringt, Hoe zijt gy dus ontbloot van Geest en re'en? Kent gy uw Herder niet // Dat gy dus voor my vliet? Heb ik u niet (mijn Schaapen teer) Van jongs opgevoed En krachtig gehoed? Wat wilje doch meer? Christen. 2. 't Is soo; maar Jesus, ach! Wat mag 't My baten dat gy opsigt op my neemt? Ik word van elk gesmaad // Gehaat En uit de gunst van ieder een vervreemd. Ik zie dat Ampt op Ampt // verby my henen schampt, Ik ben in aanzien, staat, nog Eer, Elk kijkt van ter zy', En schimt-lacht op my, Dat smert my te zeer.
Jesus. 3. Om dat u elk veracht? Verwacht Gy van de wereld meer heil als van my? Is 't daarom' dat gy vlied? Och ziet Dog wat gy doet; bedaar u selven vry. Die d'Wereld voor my verkiest // De Wereld en my verliest; Die ietwat, wat het zy op Aard' Staat, Hoogheid, Vrouw, Kind Meer als my bemind, Is mijnder niet waard.
Christen.
4. Men ziet uw' Schapen Kooy // ten prooy Gesteld, voor 's Wolfs en wilde Zwijn-gebroed; Zy schudden bars den kop // Daar op En kijken 't aan met een vergrimde moed. Haar Herders worden lauw // Lafhertig, loom en flauw, Haar' wakend' Honden staan verstomd, Verlegen, verzuft, Het Wild haar verbluft Dat los op haar komt, 5. Wie is 't die daar houd stal // Daar 't al Vernield word? immers elk die plaats verlaat Daar rijtend' wreed gediert // Omzwierd, En dat de muil daar tegen sparren gaat? Die daar in blijvend' is // Genaakt 't verderf gewis; Ik zoek veel liever heil en rust, 't Aanstaande gevaar Ontvlied' ik; want daar In heb ik geen lust.
Jesus.
6. Is dan mijn Arm verkort? Hoe word
Dus aan mijn macht getwijffeld rechte voort? Wel meend gy dat ik slaap // Mijn Schaap, En niet en weet wat my te doen behoort? Ik sal eens met mijn staf // Wraakzuchtig komen af, Dan als de Wolf en 't rijtende Vee, Het minst' my verwacht, Maar luyeren zacht, In dartele Vre'e. 7. Mijn lieve Schaapje vlied // Dan niet, Zijt nucht'ren, waak, zijt vlijtig in 't gebed. Ik houd' een toom en band // Ter hand, Daar ik die Beesten vast houw' in bezet, Zy kunnen niet meer quaad // als ik haar toe en laat, Al zijnse vinnig, snel en vlug, Dan alsz' op u gaan, En vallen u aan, Ik rukse te rug. 8. Wel aan dan grijpt dog moed // Gy moet Niet vlugten; neen 't is nu geen vluchtens tijd; Maar stel u sterk te weer // 't Geweer Van uw Geloov' ter hand neemt; valt den strijd Vry lastig, hard en zwaar // Ik zal u, in 't gevaar Bewaren door mijn kracht; al 't woen Van 't razend' Gediert, Zal u, hoe het tierd, Geen hinder aandoen. A.G. UIT.
Cookies on Poetry Cove