Toon: Psalm 18, 32, 45. I. De Bruidegom. Hoe schoon zijn uwe gangen in uwe schoenen, Gy Princen, Princen Dochter, uwer Heupen
Omdrajingen, omdrajingen die zijn Als kostelijke ketens, zijnde 't werk, 't Werk zijnde van een konstenaar zijn handen, U navel is een ronde, ronde beker, Die genen drank ontbreekt, een tarwen hoop, Rondom bezet met Lelien u buik. I I. Beid' uwe borsten zijn gelijk twee welpen, Tweelingen van een Rhee, en als een toren Van Elpenbeen, alzoo is uwen hals, U oogen als de Hesbons Vyvers zijn, By Bath-rabbim de poorte, als de toren, Van Libanon, van Libanon die tegen Damaskus ziet, alzoo is uwen Neus, U Hoofd op u gelijk als Karmel is. I I I. De Hairband van u Hoofd die is als Purper, De Koning is als op de Galleryen Gebonden, hoe schoon zijt gy, en hoe lief, Hoe lieflijk zijt g'in wellusten ô Lief, Dees uwe lengte is te vergelijken, By een Palmboom, en beid' uwe Borsten By trossen, 'k zeid' ik zal den Pallemboom, Opklimmen en zijn takken grypen aan. I V. Zoo zullen dan u Borsten zijn als Torens, Als trossen aan den Wijnstok, ende reuke Van uwen Neus als Appelen, en uw Gehememelte als goeden Wijn die recht, Recht gaat tot mijnen Beminden doende spreken: De Bruid. De Lippen van de slapende, mijns Liefstens Ben ik, en zijne toegenegentheid, Zijn toegenegentheid die is tot my. V. Kom laat ons in 't Veld uitgaan ô mijn Liefste,
Laat ons vernachten op de dorpen, laat ons, Ons vroeg na de Wijn-bergen maken op, Laat ons laat ons zien of de Wijnstok bloeid, De jonge, jonge druifkens haar doen open, De Bomen van Granaten hem uitbotten, Daar zal ik u mijn Liefste geven, mijn Uitnemende liefde ik daar geven zal. V I. De Dudaïm geven reuk en aan ons deuren, Zijn allerley nieuw' en oude vruchten, Die heb ik, o mijn liefste! die heb ik, Voor u, voor u mijn Liefste weg geleid, De Dudaïm geven reuk en aan ons deuren, Zijn allerleye nieuw' en oude vruchten, Die heb ik o mijn Liefste, die heb ik Voor u, voor u mijn Liefste weg geleid.
Cookies on Poetry Cove