Stemme: Van 16. Psalm. 1. Heer Jesu, Leven, Licht, ja eenig Al. Is dan Uw hert voor my gantsch toegesloten? Mijn Ziel doolt om, en doet vast val op val, Ik leef als van Uw aangesicht verstoten: Nogtans zijt gy alleen myn Heil, en Vrede, O Bron van Troost, en Zee van Zaligheden. 2. Mijn Jesus kom, ey kom doorsoek mijn Hert, Terwijl 'k alleen sit hier in 't groene lommer Van 't dicht geboomt, vry, eensaam, niet verwert Door eigen sorg, die 't hert beset met kommer: De sachte koelt' lokt U met 't lieflijk zuisen, Den storm van 's schepsels drift doet U verhuisen. 3. Ontledig dog, ontledig dog 't gemoed Van al wat my belet eens recht te sterven,
Aan eigen, kracht, en wijsheid, die my doet Uw suiver licht, bestuur, en sterkte derven, Op dat ik nu ook niet en kom te krenken Mijn zwakke Ziel, door sonder Geest te denken. 4. Gy, die gekrookte rietjes niet verbreekt, Maar ondersteund op dat zy niet bezwijken, Die 't sogend' Lammeken steeds draagt, en queekt, En aan een Wees doet Uw ontferming blijken, Die 't rookend' vlaswiek nimmer uit sult blussen, d'Amechtige sterkt Gy met liefde kussen 5. Kom Goede Herder, wiens beproefde sorg Verdiend dat men u sig geheel vertrouwe, Gy set Uw Woord, Uw Eed, Uw Hert tot borg Neem, neem my Jesu, ´t sal my noit berouwen: Mijn Son, mijn Schild, mijn Koning, komt verpletten ´t Geen over my U wil ´t gebied beletten. 6. Het rommelen van ´s Vaders ingewand En hield niet op sig over hem t´erbermen, Die, tegens al ´t vermanen aangekant, Ontvluchte ´s Vaders Huis, en liefden ermen: Ontleer mijn Ziel dog eens dit droevig dwalen Ach! Jesu kom, kom, kom my wederhalen. 7. Hebt Gy van eeuwigheid op my gesien, Op my gesien met 't oog van vrye liefde! Belet my dan steeds van U af te vlien, Mijn Jesus, die de hardste rotzen kliefde, Gy die versachten kunt de steene herten, Die uw geduchte Hoogheid derven terten. 8. Hebt Gy nooit Zegel op mijn Hert gedrukt? En zijn daar noit geen lett'ren in geschreven Door uwe hand? en is 't my noit gelukt Aan uw verbond mijn woord, en hert te geven? Al was 't dan als een blinde, die verduisterd Verlangt naar 't licht, door onmacht als gekluistert. 9. Sie neder van uw hoog verheven Troon O milden gever van Uw goede gaven;
Mijn kragt verteerd, 'k ben uwen Naam tot hoon, Ach! wild mijn dorre Ziele doch eens laven, Verquik mijn Geest, en laat my niet versmachten In 't ongeloof, maar op U blijven wachten. 10 Gy zyt dog enkel goedig groote God, Fontein van Liefde, afgrond van Genade, Voor hen dien Gy het geeft op Uw gebod Sig in Uw volheid Heer te komen baden: Gy overwind 't hertnekkig wederstreven, En doet het Hert in vreed' en vryheid leven. 11. Mijn Algenoegsaam, Groot en Heftig Heer, Almachtig, Heerlyk, Eeuwig, vol van waarheid, Alwetend', Wys, Rechtveerdig, die u eer En Majesteit in onbesmette klaarheid Volstandig liefd', uw Hoogheid komt de Wetten Als de Oppermacht aan al uw schepsels zetten. 12. Hebt Gy behagen om een sondig niet Een maad, een worm uit grond'loos mededogen U t'onderwerpen? Hebt Gy geen verdriet In 't zaligen? en werd Gy niet bewogen Door iets in 't schepsel? Ja die sig onttrekken, Door ongeloof Uw grimmigheid verwekken. 13. Wel aan dan Liefde sonder end, en maat, Verhef uw glorie, hebt Gy lust tot wond'ren Hier ben ik Heer, volbreng U vryen Raad, Vertoon Uw kracht in voor U af te zonderen Mijn gantsche Hert, trek, trek my doch naar boven Doe my U kennen, vreesen, lieven, loven. 14. Gelukkig volk dat gy Jehovah kiest Tot Syn besitting, eeuwiglijk verslonden In d'Oceaan der Liefde, daar verliest Sig ieder hert dat Jesu komt doorwonden, Daar leeft de Ziel, gesuiverd, en bevredigt Door 't Bloed des Lams, en van haar zelfs ontledigt. 15. Ach! scheids-muur, droev'ge scheids-muur die my scheid
Van Jesu af, mijn God, ach! kom dog nader, Maakt my eenvoudig, teer in al 't beleid Des Herte, mijn verstrooide Ziel vergader, Dat zoo uw Macht en goedheid eens beklijve Op dit gemoed, dat ik steeds by U blijve. 16. Ach! schepsel, schepsel door een iedele waan Hebt gy mijn Ziel al lang genoeg bedroogen, Gy hebt mijn al te schandelijk verraan: Weg satan, weg bedrieger, 't is geloogen Al wat gy inblaast, ach! wie sal my setten Op effe baan, en vryen uit u netten. 17. Ach! eigen ik, ach! eigen sin, en lust, Ach! eigen wijsheid, sterkte, werk, en leven, Ach! eigen eer, en agting, snoode rust In 't eigen, ach! wat hebt gy my gedreven In mijn verderf, ik hoop het sal u rouwe Door d'overwinning van het zaat der Vrouwe. 18. Mijn gruw'lijk, naar, en duister ongeloof, 'k Heb lang genoeg geseten in uw boeijen, Ach! waar ik voor uw Helsche reden doof Hoe soud' mijn ziel door kragt van waarheid groeijen, Hoe soud' ik Jesus dierbaarheid erkennen, Hem nemen aan, en steeds aan Hem gewennen. 19. Ach! Jesus lief, 't is by my buiten raad, Maar Gy hebt dierb're balssem in uw Wonden, Doorsoek, en sie het innigst' van mijn quaad, Ach! kom mijn Hert, en nieren dog doorgronden, Verbreekt, bouw op, verwond, en heel my weder, Gy zyt alleen bekwaam, getrouw, en teder. 20. Almachtig Koning, grijpt my by der hand, En maak een eind' van al mijn dwasen wandel Door eigen geest, en dempt aan allen kant Mijn eigen leven, op dat al mijn handel In waarheid zy, in liefde, en geloove, Ontfonkt door 't Hemels vuur, verlicht van boven. 21. Verneder my, verneder my 't gemoed,
En leert my als een Kintje aan U kleven, Sagtmoedig, stil, zeer buigsaam, klein en goed, Dat zig aan Uw beleid wil overgeven, Dat zig wil dragen naar zijn kleine krachten, En d'yd'le eer blymoedig kan verachten. 22. Op dat ik, Jesu, hange aan Uw borst, En door Uw kracht voorspoedig op mag wassen, Gy zyt myn wortel, foey my dat ik dorst, U myn Fontein verlaten, doe my passen Op Uw geleid', en 't wenken van Uw oogen, Naar Uwen raad en wil alleen gebogen. 23. Op dat een Ziel die 't alles heeft verbeurd, Soo trouloos, dwaas, soo schuldig, en onmachtig, Die 't lieflijk jok onbandig heeft verscheurd, Nog werd in u, en uwe sterkte krachtig, Om als een Held al juichend' 't padt te loopen, Gy geeft haar nieuwe kracht die op U hoopen. 24. Ach! Heer de schaamt bedekt mijn aangesicht, Ik monster, ik onsaal'ge, soud' ik komen Tot Gods gemeinschap, onbedachtsaam wicht Soud' u, u, u Gods liefde overstromen, En zal ik sien in wien ik heb gesteken, En wild Gy Heer door liefd' mijn Hert verbreken. 25. Verheve Koning doe zoo 't U behaagt: Wilt Gy een armen worm dan overstelpen Met vrye gunst, daar Gy niet in en saagt 't Geen U ô Heer bewoog om hem te helpen! En hebt Gy lust Uw schepsels te beschamen O God der liefde! Halelujah!Amen. F.V.B.
Cookies on Poetry Cove