Op de Wijse: Van den 62. Psalm. 1. Wat is 't mijn Ziel, hoe dus ontsteld? Wat onheil is'er dat u queld? Wat druk doet u soo innig zuchten? Wat angst, wat smert heeft u omringt? Wat is 't voor droefheid die u dringt? Waar heen mijn Ziel, waar wild gy vluchten? 2. Wat vreeslijks doch is 't dat u jaagt? Waarom mijn Ziel nu zoo vertzaagt? Is God dan niet u trouwen Vader? Wat u dan queld, en wat gy mist, Of wat gy soekt, mijn ziel hier is 't, Hier is die volle Heil-springader. 3. Zijn niet Gods wegen u bekend,
O! ja mijn ziel, gy zijt gewent, Die nauwe paden te betreden, Heeft niet die groote Majesteit, U nu al menigmaal geleid, In bitterheid en tegenheden? 4. En heeft ook niet zijn sterke hand' U altijd goede onderstand' Ook midden in den druk gegeven, Was niet het einde altijd goed, En heeft u al den tegenspoed Niet nader tot u God gedreeven? 5. Of is het nu een zwaarder smert, Een ongeval dat nu het hert Meer als voor henen komt benouwen, Of zijt gy nu soo niet verlicht, Om in dien druk Gods aangesicht, Met troost en blijdschap te aanschouwen? 6. Staat op mijn Ziel houd echter moed, Ook dezen storm en tegenspoed Komt uit uws Vaders ingewanden, Die hoe 't ook zy in u gewoel, Al waard gy zelve laauw en koel, In teere liefde tot u branden 7. Gy zult noch sien met soete vreugd', Schoon nu die zware ongeneugt', Doet uwe herten tranen vlieten. Hoe God na ongemeine smert, Ook ongemeine troost in 't hert Van zijne kinderen wil gieten. 8. God is doch immers uwen God, U heil, u troost, u deel, u lot, U hoog vertrek, u vast vertrouwen, U sterke rotz, u vaste borgt, U Vader die steeds voor u sorgt, O Ziel, soud' gy dan noch verflouwen. 9. O trouwe God! 'k beken mijn schuld,
Vergeeft my dog mijn ongedult, Ach wild mijn zwak geloove sterken, Op dat ik, hoe dat gy 't ook voegt, In uwen wil steeds zy vernoegt, En altijd prijse uwe werken. 10. Ik leg mijn hand' dan op de mond, Gy zijt het die my hebt gewond, U doen, mijn Vader, is rechtvaardig, Doet maar mijn God wat u behaagt, Ik weet dat uwe hand my draagt, En niet en straft na ik ben waardig. 11. Ik sit dan neer en ben gerust, Want als 't maar u mijn Vader lust My uit de droeffenis te trekken, 'k Weet dat u macht is onbepaald, En dat 't ook aan u kracht niet faald, Gy kond en zult weer vreugd verwekken. 12. Maar ook mijn Vader is 't u wil, Noch niet te redden, ik zwijg stil, Ik weet gy zijt mijn wijse Vader, En dat ik door die druk en pijn, Als door een Hemels medicijn, Mijn vaster troost en vreugd' vergader. 13. Wild gy mijn God, u aangesigt, Mijn ziel en troost, mijn eenig ligt, Ook voor een tijd niet laten schijnen, Maakt maar mijn Vader dat altijd Die onvergenoegde tegen-strijd Doch verr' mach uit mijn Ziel verdwijnen. 14. Op dat ik zoo al meerder leer, Door dese middel u mijn Heer, Niet om u gaven slechts besinnen, Maar (hoe gy 't Heer ook met my maakt, 't Zy dat mijn hert het prijst of laakt) Dat ik mag u om u beminnen. 15. Als ik dat held're licht dan mis,
Leert my maar in de duisternis Dan evenwel op u nog hopen, Op dat ik 't zy met vreugt of smert, Noch echter met mijn gantsche hert, Tot u mijn Vader heen mag loopen. 16. Hoe 't dan op aarden met my staat, Of 't na of tegen wenschen gaat, Leert my dat alles lustig dragen, Segt gy maar tot mijn ziel, weest stil Mijn Kind, want dit is soo mijn wil, Dit is u Vaders welbehagen. 17. Op dat ik soo met meerder kracht, Steeds na mijns Heilands komste wacht, Om na mijn Vaderland te varen, Daar ik dan van de sond' bevrijd, Ja ook van alle moeit en strijd, Sal eeuwiglijk u roem verklaren. Psalm 62: 6, 7. R. IMMENS. In 's Hertogenbosch, den 24. Jan. 1673.
Cookies on Poetry Cove