I I. Deel. I X. 't Hert en stem moet zamen paren Als de welgestelde snaren, Maar wat is mijn dat een smert, Als uw wet verbroken werd, Als ik ietwes goeds bezinne Komt my haast wat quaads te binnen, 't Hert verandert my zeer ras, 'k Ben niet die 'k te voren was. X. 'k Sie mijn ongerechtigheden, Op my dringen, op my treden, 'k Werd van alle kant verseerd, En van uw wet afgekeerd,
't Hert is als een poel van zonden, Die ik niet en kan doorgronden, 't Is een hert dat my bedriegt, Dikmaals veinst en dikmaals liegt. X I. 'k Ben vol vrezen en vol zorgen, Zonder stilstand, van den morgen Tot den avond, al mijn lust Is ontvallen, 'k heb geen rust, Wie zal my hier van bevrijden? Daar van ik zoo veel moet lijden, 'k Ben gedurig in gevaar, En dat duurd zoo meenig jaar. X I I. Dit baard my zeer droeve klagen, 'k Heb my op de Heup geslagen: 't Geen ik na den vleesche doe Haat ik, sta het geenzints toe, Zouden zijn het die my quellen, Zonden die mijn hert ontstellen, 'k Haatze met volkomen haat, Die my noit uit 't herte gaat. X I I I. Jesu! wild my levend' maken, Redden alle mijne zaken, Gy aanschoud al mijn verdriet, Maar zijt stil, en helpt my niet: 'k Schrei tot u uit al mijn krachten, 's Morgen, 's avonds, en by nachten, Hoord my doch in dit verdriet, Godes Zoon wacht langer niet. X I V. 'k Moet daar toe mijn tijd verslijten, By de boosen, die my bijten, 't Is een doodsteek in mijn hert, Als u wet verbroken werd,
Als ik zie Godloze wichten, Die voor uwe wet niet zwichten; Waterbeken, liefste Heer, Vlieten uit mijn oogen neer. X V. Liever was ik heel verschoven In u Huis, dan in de hoven Van de Zondaars, die met vleyd Denken, spreken ydelheyd. Maar die uwe wet betrachten, En zich van de zonde wachten, Waren my een groot vermaak, Al mijn lust daar ik na haak. X V I. Och dat eenmaal al mijn zeden, Al mijn wille, al mijn reden, Waren na uw wet gericht, 'k Was behouden en verlicht. Kond ik my eens t'allen stonden Houden af van alle zonden, 'k Zoude meer vermaak daar in Vinden dan in groot gewin.
Cookies on Poetry Cove