Toon: Psalm 15. I. De Dochters van Jerusalem. Waar henen is u Liefste, waar gegaan, O gy, gy schoonsten onder de Wijven, Waar henen heeft u Liefste 't aangezichte Gewend op dat wy hem, hem met u zoeken, Gewend op dat wy hem, hem met u zoeken. I I. De Bruid. Mijn Liefste is afgegaan tot zijn Hof, Tot, tot op de beddekens der speceryen, Om, om te weiden in de Hoven, en Om Lelien de Lelien te zaam'len, Ik ben, ik ben mijns Liefsten, die hier onder De Lelien weid, mijn is mijne Liefste. I I I. De Bruidegom. Gy mijn Vriendin zijt schoone, gy zijt schoon, Als Tirza, als Jerusalem lief lieflijk, Als Legers van Banieren schrikkelijk, Wend van my af u oogen, want zy doen my Geweld aan: u hair als een kudde Geiten, Is die het gras van Gilead afscheren. I V. U tanden zijn als een kudde van De schapen die opkomen uit de waschstee, Die al te zaam tweelingen brengen voort, En onder dezelve is geen jonge-loos, Gelijk een stuk van een Granaat-appel, Zijn tusschen uwe vlechten uwe wangen.
V. Daar zijn wel t'zestig Koninginnen, en Wel tagchentig Bywijven ende Maagden Wel zonder tal; doch een, een eenig is, Een eenig is mijn duive, mijn volmaakte, De eenige de eenige hares Moeders, Zy is de zuivere van die haar baarde. V I. Als haar de Dochters zien zoo zullen zy, Zy zullen haar welgelukzalig roemen, De Koninginnen en Bywyven, en Zy zullen haar haar prijzen, wie wie is zy, Wie is zy die daar uit ziet als de daag'raad, Schoon als de Maan, gelijk de Sonne zuiver. V I I. Als Legers met banieren schrikkelijk: Verschrikkelijk als Legers met banieren, Ik ben gegaan af tot den noten Hof, Om der valey te zien de groene vruchten, En om ook te zien of ook de Wijnstok bloeid, Of de Granate-bomen ook uitbotten. V I I I. Eer ik het wiste zettede mijn ziel My op de wagens van mijn Volk Vrywillig, O Zulamith keerd weder, keerd wederom, Keerd weer, keerd wederom, dat mijn oogen, U aanzien, wat ziet gy de Zulamith aan, Zy is als een reye van twee Heiren.
Cookies on Poetry Cove