Skip to content
1720

Dichtkundige ziele-zangen

Philippus Sorgen

Toon: Psalm 118. I. Christus. Ziet gy zijt schoone mijn Vriendinne, Ziet gy zijt schoon, u oogen zijn Duiv' oogen tusschen uwe vlechten, U hair is als een kudde van De Geiten die het gras af scheren, 't Gras van den Berg van Gilead. U tanden zijn als eene kudde Van Schapen die geschoren zijn. I I. Die uit de Wasch-steed' op op komen Die tweelingen t'zaam brengen voort, En onder haar en is geen jong'loos, U lippen, uwe lippen zijn Als een schaarlaken snoer, u sprake Is lieffelijk, den slaap uwes Hoofds Tusschen uw vlechten is gelijk als 't Stuk van een Appel van Granaat. I I I. U Hals is als Davids toren, Die tot op-hangen is gebouwt Van wapen-tuig, daar duizend, duizend Rondassen hangen, hangen aan, Zijnd' altemaal derHelden schilden, Beid' uwe Borsten zijn gelijk Tweelingen van een Rhee of Welpen, Die weiden onder Lelien. I V. Tot dat de schaduwen weg vlieden, Tot dat aankomt dien grooten dag,

Zal ik gaan tot den wierook heuvel, En tot den myrrhe, myrrhe berg, Gy zijt geheel schoon mijn Vriendinne, En daar is geen gebrek aan u, O Bruid van Libanon aff by my, Komt by my aff van Libanon: V. Ziet van den top af van Amana, Van Zenirs en van Hermons top, Van de Woonholen der Leeuwinnen, Van der Luipaarden bergen, ziet Mijn Suster g'hebt my 't hert genomen, O Bruid g'hebt my genomen 't Hert, Met eene van u schoone oogen, Met eene keten van u hals. V I. Hoe schoon is u uitnemend' liefde, O Bruid mijn Suster, hoe veel is Uw uitnemend' liefde beter Dan Wijn en uwer zalven reuk, Dan alle speceryen, alle speceryen, O Bruid u lippen druppen van, Den honing-zeem; melk, melk en honing Is onder uwe tong gesteld. V I I. En al uwer kleederen reuke: Is als den reuk van Libanon, O Bruid, ô Suster gy zijt eene Besloten Hoff besloten Wel, En een verzegelde Fonteine, U scheuten zijn een Paradijs Van Appels, appels van Granaten Met ed'le vrucht, met ed'le vrucht. V I I I. Cyprus met Nardus, Nardus ende Saffraan, Kalmus ende Kaneel,

Met allerleye bomen, bomen; Van Wierook, Myrrhe en Aloe, Midsgaders al hoofd speceryen, Fontein der hoven, ô Fontein! Put, put der levendige waters: Die vloeijen uit, uit Libanon. I X. De Bruid. Ontwaakt, ontwaakt gy wind van 't Noorde, En komt en komt gy Zuiden wind, Doorwaaid doorwaaid mijn Hof, dat zijne, Zijn speceryen bloeijen uit, O dat mijn Liefste tot zijn Hoff quam, En zijn zijn ed'le Vruchten at. O dat mijn liefste tot zijn Hoff quam, En zijn zijn ed'le Vruchten at.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.