Op de wyze van den 97. Psalm. I. Kom! Utrechts Israël, Neem al u Snarenspel, Lang herwaards opgehangen; Ey! zing nu vreugde zangen: De vyand vergt het niet, Niet meer tot u verdriet, Maar u Verlosser eist Dat gy Hem eer bewijst, En zijne werken prijst. I I. Gods Kelk is rond gegaan, Gy hebt het uw' gedaan, En ook een teug gedronken, Nu word'er ingeschonken, Voor u vyanden al, Een vat van enkel gal, En alsem toebereid, In zijne grimmigheid, Dat nooit af-loopen sal. I I I. U Maker is u Man; Wat deerd u verder dan; Hy is de Boas, Utrecht! Die al uw zaken uit-recht, Legt voor de voet dan neer, Met Ruth, van dezen Heer, Verwonderd immermeer,
Dat zulk een erffenis, U toegevallen is. I V. Hoord gy verdrukte Schaar: Door veelerley gevaar, En onweer voort gedreven, Van alle troost begeven, Nu zult gy zijn gevest, Op 't cierelijkst en best, U poorten zullen zijn Gemetzeld van Robijn, U Glas van Christalijn. V. Ziet! hoe veranderd is 't? Uw' haters weg getwist; Gy van den strik ontkomen, En als de geen die droomen; Gods groote Regterhand Heeft zeel, en touw, en band, En smaadheid al gekeerd, Gelijk gy had begeerd, Ja zelfs de roey verbrand. V I. Mijn dunkt, ik Utrecht zie, Een blijde Naomi, Van bitt're Mara, worden, En zich met sterkte gorden: Nu d'Opper-Majesteit Haar zelfs heeft aangezeid, Weest verre van gevaar; En door zijn wond'ren haar Een lacchen heeft bereid. V I I. Besteed nu mond en hert, Met wat'er meer noch werd
Gevonden in uw' krachten, Dat op den Heer kan wachten; En zingt in 't Heiligdom, Gods altaar eeuwig om, Heach! Halelujah! Higgajon! Hosanna! V I I I. De vyand quam tot u, In weerwil: maar ziet nu, In spijt van uw vyanden, En 't knerssen op haar tanden, Komt uwen Koning in- Gereeden Koningin, Gaat dan, gaat met'er spoed, Dees David in 't gemoed: 'k Wensch dat gy 't veerdig doet. W.D.
Cookies on Poetry Cove