Op de wyze van den 19. Psalm. I. Wanneer dees tijd-Gordijn, Zal weggeschoven zijn, Van voor de Heil'ge Schaar, En dat het Hemelsch licht, Haar geven zal gezicht, Om te beschouwen daar, Jehova's Wezen aan, En in die Zee te baan, Van zijn oneindigheden, Dan zal 't God-dorstig volk, Gesonken in dien kolk, Eerst wezen recht te vreden. I I. Dit onbepaalde goed Van ons bepaald gemoed,
Hier op der Aard' bevat Is al te sterken wijn, Die zoo licht dronken zijn, Word overstelpt en mat; Ja 't eind'loos eeuwig maakt, Dat d'eeuw'ge ziekte raakt, Onder het volk ontstoken, En die dit euvel heeft, Die sterft terwijl hy leeft, En leeft in 't graf gedoken. I I I. Ik sterf aleer ik sterf, Om dat ik 't eeuwig derf, Mijn koorts neemt daag'lijks toe, Ey steld niet langer uit, Maar mijne loop doch stuit, Ik ben de tijd al moe; O eeuwigheid komt ras, Och dat ik by u was, 'k Sucht na u onverdroten, Hoe is 't, ô Eeuwigheid, Dat gy zoo wenschlijk zijt, Al zijt gy nooit genoten. I V. Als ik U ommegang, Heb eeuwigheden lang, Wat zal ik dan wel zijn, Dan zal ik weten wis, Wat 't eeuwig leven is, Ja zalder eeuwig zijn; 't Is best dat ik in spijt Des tijds, mijn tijd verslijt, Met d'eeuwigheids gedachten, En my daar aan gewen, Eer dat ik daar in ben, Door een gestaag verwachten.
V. Och dat de tijd zijn tijd, Had uitgediend, en wijd Van ons verhuizen wouw, Of ons uitbreken liet, Uit dit ellendig niet, Naar 't eeuwige gebouw; Daar zullen w'eeuwig zijn, Eeuwig zijn, eeuwig zijn, Om d'eeuwigheid t'aanschouwen, En worden alles quijt Behalven d'eeuwigheid, Die w'eeuwig zullen houwen. V I. Daar zullen w'eeuwig zijn, By 's Levens Heilfontein, By 't Algenoegsaam goed, By 't onbegrijplijk Licht, Daar alle glansch voor zwicht, By Hem die alles doet; Daar zullen w'eeuwig zijn, In 's Bruidegoms aanschijn, En hebben vry genieten, En na een eeuwig zien Zal ons een eeuwig zien Van hem noch niet verdrieten. V I I. Daar zullen w'eeuwig zijn, Eeuwig zijn, eeuwig zijn, En dat volmaaktelijk, In wijs- en heiligheid, In schoon- en heerlijkheid, Niet meer veranderlijk; Maar zijn in d'Opperzaal, Met d'Heil'gen altemaal,
Om eeuwig daar te blijven, En aan het Hemelsch Hof, Daar in Jehova's lof, Te helpen d'Eng'len stijven. V I I I. O eeuwigheid ik wil Scheiden om uwent wil, Van alles dat'er leeft, Ja hier op aarden is, Als tot haar erffenis U mijne ziel maar heeft: Dus blijf ik al in 't gast- Huis aan dees krankheid vast, Zonder hoop van genezen, Tot dat ik uit'er tijd, Een lange eeuwigheid, In d'Eeuwigheid zal wezen.
Cookies on Poetry Cove