Skip to content
1720

Dichtkundige ziele-zangen

Philippus Sorgen

Op de Wyze van de x. Geboden, of Reveillez vous. I. O God en Schepper hoog gepresen, Een aardworm komt u spreken aan, Ey laat hem niet zijn afgewesen, Maar wild op hem u oogen slaan. I I. U oogen die met mededogen, My zagen in mijns moeders lijf, Waar uit gy my hebt uitgetogen, En steld op aarden mijn verblijf. I I I. Met pijn en smert ben ik gebooren, Met sorg en kommer opgevoed, Ik moest voor eeuwig gaan verlooren, Zoo gy niet waard geweest zoo goed. I V. Ik waar een brandhout van der hellen, Een kind des toorens van natuur, Ik weet gy mogt my eeuwig quellen, En senden naar het helsche vuur. V. Maar nu u wil en welbehagen, Zoo schenkt Gy my U eigen Zoon, In hem ben ik uw opgedragen, Hy heeft voor my randzoen en loon V I. Hy is mijn Heer, mijn trouwe Borge, Die voor mijn schulden heeft geboet,

En die my gantsch bevrijd van zorgen, En af-wast in zijn zuiver bloed. V I I. Of schoon dood, Hel en Duivel bassen, Of aard' en Hemel om my heeft, Zy konnen my doch niet verrassen, Dewijl Hy haar verslonden heeft. V I I I. Hy is mijn Veld-heer en mijn Koning, Mijn naam die staat mee op zijn rol; Het Paradijs is nu zijn woning, Daar alles is van vreugden vol. I X. Maar ik helaas! Ik ben op aarden, En uit den eersten Adam aards, Ik bid u Heer wild my aanvaarden, En trekken tot u hemelwaards. X. Alwaar dat gy nu zijt gezeten, Tot uwes Vaders regterhand, Ey wild u schepsel niet vergeten, Dat by u eens genade vand. X I. Mijn leven vloeid gelijk de stroomen, Mijn dagen zijn maar rook en wind, Maar bloemen, schaduwen en droomen, Die men in 't kort niet meer en vind. X I I. Ik moet hier zwerven, loopen, draven, Als balling in dit tranendal, Tot dat ik eens des Hemels haven Door uwe gunst bereiken zal. X I I I. Ons rechte Vaderland is boven, Wy hebben hier geen vaste Stad,

Op aarden schijnen wy verschoven, Maar boven is ons hert en schat. X I V. Op dezen weg zoo moet men spoeijen, Men moet gereed staan op Gods Woord, Men moet de voeten vaardig schoeijen, En zonder stil-staan altijd voort. X V. Men moet niet zagtjes gaan, maar loopen, En strijden in dit worstel-perk, Men moet de tijd zien uit te koopen, En vallen daad'lijk aan het werk. X V I. Die weg die valt wel steyl en enge, O wandelaar wie dat gy zijt, Zy valt voor vleesch en bloed wat strenge, En d'and're schijnd vry breed en wijd. X V I I. Ik bidde laat u niet bedriegen, Door 's werelds lust en zoet gevly, De duivel kan niet doen dan liegen, Hy brengt de zielen in de ly. X V I I I. Dit zijn maar listige Zireenen, Stopt voor haar zoet gezang u oor, Want gy zoud eeuwiglijk beweenen, Dat gy haar ooit eens gaaft gehoor. X I X. Op, op mijn Ziel dan zonder schroomen, En wandeld met een rappe voet, Want ziet de Bruidegom wil koomen, Ey gaat hem vaardig in 't Gevroet. X X. U Heer, die voor u heeft geleden, Zegt volgt my met een zoete stem,

Hy is u zelfs ook voorgetreden, Tot in het nieuw Jerusalem. X X I. Weg, weg dan wereld laat my rusten, 'k En heb aan u noch deel noch lot, 'k Verzaak u schijn-goed en wellusten, En geef my nu geheel aan God. X X I I. Ey trek my Heer, dan zal ik loopen, Want zonder u kan in niet voort: Vermeerderd mijn geloof en hoopen, U knecht die wagt maar op u Woord. X X I I I. Ik bid u Heere wild mijn geven, Dog niet te weinig nog te veel, Op dat ik tot u eer mag leven, Ey geeft my mijn bescheiden deel. X X I V. Want op dien weg zijn weinig rijken, Haar goed dat is te zwaren pak. Te weinig zou my doen bezwijken, Door armoed en door ongemak. X X V. Ik wil de zorg u dan beveelen, Gy weet het Heer, gy weet het al, Gy zult my alles mede-deelen Als ik mijn loop voleinden zal. X X V I. Ey leerd my dog mijn dagen tellen, U Geest die leerd my zeker gaan, Want zonden, duivel, dood en helle, Daar moet ik daag'lijks tegen aan. X X V I I. Wel aan mijn ziele wild dan lopen, 't Is nu den aangenamen tijd,

De deure die staat voor u open, 't Is nu de dag der zaligheid. X X V I I I. Want als u oogen zijn geloken, En dat dit kranke aarden vat, Eens voor de dood zal zijn gebroken, Zoo komt gy noit weer op dit pad. X X I X. Ey loop mijn ziel gelijk een Hinde, Gelijk een Rhee of vluchtig Hert, Gewis gy zult genade vinden, En zalig die tot 't end' volherd. X X X. Want als gy zijt ten eind gekomen, Van deze baan of worstel-perk, Word gy ten Hemel opgenomen, En zulk een einde kroond het werk. P.V.S.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.