V I I. Deel. X L I X. Jesu wild mijn herte sterken, Door u liefde dat bewerken, Liefde die gelijk de dood Sterk is in den grootsten nood. Hy kan door zijn Liefde schigten, My verwonden, my verlichten, Hy is my een vaste borgt; Die my helpt en my bezorgt. L. 'k Zal op u mijn liefste steunen, Altijd lieflijk op u leunen, Ik ben uwe, en gy breid Tot my uw genegentheid, Laat uw wind, op uwe woorden, Uit den Zuiden, uit den Noorden Waaijen, op dat mijnen hof Vrucht mag dragen tot u lof. L I. Hier toe ben ik uitverkoren, En door uwen Geest herboren, Om te doen dat gy gebied, Tot u eer en anders niet, Ja daar toe heb ik het leven, Om u eer en lof te geven, Daar toe is mijn ziel gemaakt, Daar na is 't ook datze haakt. L I I. 'k Zal geloven, 'k zal vertrouwen, 'k Zal niet voor mijn vyand grouwen: Jesu als ik op u hoop Gaat de Satan op de loop: Die zich op de Rotssteen bouwen, Wank'len niet maar zijn behouwen, Als de zonden haar bezet,
Jesus is 't die'r haar uitred. L I I I. Die aan u vast hangend' blijven, 't Ongeloof te rugge drijven, Steld gy in uw' wegen vast, Tegen allen overlast, Zulke hebt gy, die bemind gy, Die bezorgt gy, die bezint gy, Die verlost gy uit de pijn, Die wild gy tot Trooster zijn. L I V. Wanneer ik Heer niet ootmoede Wandel, neemt gy dan de roede, Drukt, kastijd, en tuchtigt my, Maakt my zoo van zonden vry, Wild my uit mijn zelven rukken, Door ellenden, door verdrukken, Beter kom ik in de smert, Dan Uw Wet verbroken werd. L V. Wapend my met een Rondasse, Dat de zond' my niet verrasse, Maakt my nederig en zacht, Naar U voorbeeld door U kracht, Doet my nauw Uw Wet bewaren, 'k Zal dan groen en vet vergaren, Dood mijn zonden rooidze uit, 'k Zal dan zingen overluid. L V I. 't Is my ô mijn liefste Heere, Maar tot uwen loff en eere, Proeft mijn hert en mijn gedacht', Ziet waar op ik geve acht, 'k Weet gy zult doch mijn gebreken, Nooit gedenken nimmer wreken,
'k Wilde zelfs ook door mijn dood, Maken uwe eere groot.
Cookies on Poetry Cove